Fabels > Fabels algemeen > Positie fabels
de leeuw en de vos/15e eeuw Perzië/copyrights zie bron
Copyrights Guido
Inhoud
1 Wat is een 'fabel'?
2 Oorsprong fabels
3 Antropomorf of zoölogisch/reëel
4 Karakterrollen voor dieren in fabels
5 Opbouw van een fabel
6 Fabel als pleidooi
7 Fictie of non-fictie
8 Oude wijn in nieuwe zakken/materiële continuïteit
9 Literaire positie fabels en sprookjes
10 Kerkelijk-maatschappelijke positie fabels en dieren
11 Antropomorf dierenverhaal
12 Historische grafiek aantal fabelaars
1 Wat is een 'fabel'?
Er zijn vele definities mogelijk. Uitgaande van de algemene betekenis van het Latijnse woord 'fabula', dat gewoon 'verhaal' betekent, lijkt een acceptabele definitie:
"Een fabel is een dierenverhaal, meestal op rijm, dat bedoeld is als een, doordat het niet op de man wordt gespeeld, milde levensles, waarbij de natuur en dieren, die menselijke eigenschappen bezitten, een belangrijke rol spelen. Via een fabel kan met humor en door scherts stevige kritiek worden geleverd zonder dat het al te kwetsend is. Fabels hebben meestal een moraal."
Kort samengevat:
"Een fabel is een metaforisch antropomorf dierenverhaal (vaak) op rijm met (vaak) een moraal".
Een fabel is dus (meestal) een dierenverhaal; een dierenverhaal is (niet altijd) een fabel.
Fabels bieden, als geen ander genre, volledige dichterlijke vrijheid. Vóórop staat, dat de natuur en dieren in het bijzonder er een rol in spelen.
Op deze site gaan wij uit van een dierenverhalen in het algemeen en fabels in het bijzonder. Ook sprookjes, waarin dieren een rol spelen, verdienen hier een plaats. Voor deze site is niet belangrijk, of een dierenverhaal op rijm is of in proza, of het een muziekfabel, tekstfabel, stripfabel, (teken)filmfabel, animatiefabel, toneel- of musicalfabel is. Of hij oud is of modern. Of hij gedrukt is of op CD of DVD is uitgebracht. Of hij voor kinderen of voor volwassenen is geschreven. Alle fabelvormen zijn welkom.
terug naar index/home
2 Oorsprong fabels:
Het fenomeen 'fabel' als volksverhaal is al heel oud. Daarom is over de oorsprong van fabels niet veel met zekerheid bekend en moet men uitgaan van beredeneerde veronderstellingen:
Voor de hand ligt, dat fabels bij natuurvolkeren, die dicht bij de natuur leefden en van wie dus de hen omringende natuur het referentiekader was, hun oorsprong hebben gevonden. Bij die volkeren was er behoefte aan vermaak en overlevering, bij gebrek aan radio, tv en geheugendragers, die toen niet bestonden. Om, vooral bij avond, verveling te verdrijven en tevens kennis over te dragen aan de volgende generatie, werden verhalen verteld. Het verhaal werd meestal in versvorm verteld, omdat rijm en cadans voor de verteller een gemakkelijk te onthouden geheugensteun vormden.
De aan ons overgeleverde fabels dateren daarom waarschijnlijk van ver voor Christus uit de tijd, dat mensen hun verhalen nog slechts in grottekeningen, vaak met dieren in de hoofdrol, konden uitbeelden.
Kortom, de fabel is zo oud als de mensheid.
terug naar index/home
3 Antropomorf of ethologisch/zoölogisch
Bij dierenverhalen valt te onderscheiden, of zij antropomorf of zoölogisch zijn. Fabels zijn per definitie antropomorf: dieren kunnen wat mensen kunnen; zij kunnen argumenteren, denken, praten, overdacht handelen, plannen beramen enzovoort. Bij dierenverhalen hoeft dat niet per se. Dierendocumentaires en dierenfoto's zijn in het algemeen ethologisch en zoölogisch in tegenstelling tot bijvoorbeeld tekenstrips van dieren als Donald Duck, die antropomorf zijn. Er bestaan ook mengvormen, zoals de dierenfilm 'Pride', waarin leeuwen in hun natuurlijke omgeving en met natuurlijk gedrag in een achteraf bedacht scenario worden nagesyncrhoniseerd met menselijke stemmen. Op die manier is in feite een enthologische en zoölogische dierenfilm getransformeerd in een antropomorfe dierenfilm.
terug naar index/home
4 Karakterrollen voor dieren in fabels
Onafscheidelijk verbonden aan het feit, dat dieren in fabels een antropomorfe hoofdrol spelen, is de stereotiepe karakterrol, die dieren, al dan niet terecht, veelal weerkerend in fabels, krijgen toebedeeld.
Zo is een mier altijd het hardwerkende gierige diertje, denk aan 'De krekel en de mier', en de krekel de bohémien. De vos is de sluwe rekel. De Vlaamse gaai de rover van glinsterende voorwerpen. De raaf staat model voor advocaat of doodgraver, ongetwijfeld vanwege zijn zwarte veren, en met zijn krassend geluid kondigt hij de dood aan. De pauw is altijd trots en zelfingenomen. Het varken is altijd dom, ook al is hij dat zoölogisch helemaal niet. De wolf is altijd de 'bóze wolf'. De haas is bang en snel; de schildpad altijd traag. De leeuw is altijd koning. De reiger is vaak de vogel, die andere dieren dingen op de mouw speldt.
Voor een deel heeft een fabeldier zijn karakterrol te danken aan zijn werkelijke aard of uiterlijk; voor een deel aan de historisch bepaalde overlevering van verhalen, waarin hij, al dan niet terecht, die rol van oudsher heeft toebedeeld gekregen, zodat wij hem niet anders dan in die rol kennen; en voor een deel heeft hij die rol nou echt niet verdiend, zoals de wolf, die in het wild vrijwel nooit de mens aanvalt, want hij is zeer schuw voor mensen.
terug naar index/home
Zijn karakterrol is ook cultuurbepaald. In de klassieke oudheid bijvoorbeeld stonden het konijn en de haas symbool voor vruchtbaarheid, sex en erothiek, en werd deze dieren een bijzondere band toegeschreven met de liefdesgodin Aphrodite. In dit geval dankten deze dieren hun karakterrol ongetwijfeld aan hun uitzonderlijke prestaties op dit gebied. Niet voor niets heet het konijn in de volksmond nog veelal 'stampertje', bekend om zijn frequentie in zijn voortplanting. In de oude Joodse traditie daarentegen werden de haas en het konijn als onreine dieren beschouwd. In het moderne woordgebruik kennen wij de 'angsthaas', voortkomend uit het feit, dat een haas zich letterlijk kan 'doodschrikken' als hij in een panieksituatie komt. En wij kennen hem in de uitdrukking 'er als een haas vandoor gaan', vanwege zijn grote snelheid, in tegenstelling tot de schildpad. Van cultuur tot cultuur kan een karakterrol dus verschillen.
En ook door de tijd en de maatschappijlijke ontwikkelingen kunnen karakterrollen veranderen: bij Aesopus was de wolf tegenover het weerloze lam de persoon van meedogenloos machtsoverwicht; bij Luther stond de wolf model voor de onverzettelijke paus tegenover het lam als de ondergeschikte maar opstandige monnik Luther; en bij Lessing werd het lam het symbool voor de revolutionaire burger, die ten tijde van de Franse revolutie in opstand is gekomen tegen de regeringskliek.
Juist door dieren met tegengestelde karakters tegenover elkaar te zetten in fabels, zoals de krekel versus de mier, de haas en de schildpad, de vos en de raaf, worden de karakterrollen uitgediept en aangescherpt. Doordat een rol zich in een fabel ook niet ontwikkelt of nuanceert, kan de karakterrol worden aangescherpt.
Afhankelijk van in de hoofdrol van een fabel ten tonele gevoerde persoon heeft de lezer op voorhand al zijn verwachtingspatroon klaar; maar kan daarbij behoorlijk op het verkeerde been worden gezet, bijvoorbeeld in de fabel van Roodkapje van Thurber.
terug naar index/home
'de druiven zijn zuur'/copyrights zie bron
terug naar index/home
5 Opbouw van een fabel
De fabel is vormvrij. Meestal op rijm, maar bijvoorbeeld de fabels van Aesopus waren in proza. Meestal heeft een fabel een moraal, maar soms niet, en soms een humoristische clou als 'moraal', 'quasimoraal' of zelfs 'antimoraal'. Meestal vervullen dieren de hoofdrol, maar soms ook zijn (wandelende) bomen, zoals bij Phaedrus, struiken, zoals in 'De fabel van Jothan, planten en mensen de hoofdpersonen. Simon Vestdijk plaatste zelfs een wit bloedlichaampje in de hoofdrol in zijn 'Dagboek van het witte bloedlichaampje'. En in zijn 'Fabels met kleurkrijt' gaan een beuk en een berk zelfs samenwonen. In de fabel 'De mot en de kaars' van Leonardo da Vinci spelen een mot en een kaars de hoofdrol. Bij Franz Grillparzer spelen bijvoorbeeld een roos en een bel de hoofdrol in fabels van zijn hand. En Schopenhauer schreef een fabel met een appel- en dennenboom in de hoofdrollen. In een fabel is alles mogelijk...
De klassieke fabel begon veelal met de moraal, welke vorm 'promythion' wordt genoemd, die ook wel als een soort index van de fabel functioneerde. De fabel legde vervolgens deze moraal uit. Later werd het veelal andersom: bij de 'epimythion' komt de moraal aan het eind als een aap uit de mouw. Hierdoor werd de clou niet al aan het begin onthuld, zodat de fabel een spannender en verrassender opbouw kreeg. In de klassieke fabel bestaat het hart van de fabel uit een handeling of actie (in het Latijn 'actio'), een reactie ('reactio'), en het eindresultaat ('eventus').
terug naar index/home
6. Fabel als pleidooi
Na de opkomst van de democratie in Athene, waardoor in beginsel eenieder in de gelegenheid kon komen om deel uit te maken van het stadsbestuur, kwam ook behoefte aan scholing voor bestuurders in spe. Voor een politieke functie was welbespraaktheid een eerste vereiste. De sofisten, voorlopers van wat nu advocaten zijn, sprongen in de tweede helft van de 5e eeuw voor Christus in dit gat in de markt en gaven tegen hoge betaling lessen bestuurskunde, filosofie en retorica aan kinderen van rijke Atheners. Was vóór het ontstaan van de democratie besturen een kwestie van met militaire macht overwinnen en tegenstanders overreden, in de democratie werd het belangrijk de volksvergadering te overtuígen van het gelijk van de redenaar, waarbij op den duur het doel de middelen ging heiligen. Zo kreeg het woord 'sofisme' de negatieve bijklank van een drogreden. Absolute waarheden werden verdrongen ten gunste van relatieve visies op het bestuurlijke leven. De sofist Protagoras ging zelfs zo ver, dat hij de mogelijkheid van objectieve kennis ontkende met de gevleugelde woorden 'de mens is maat van alle dingen'. Protagoras vond in zijn opvattingen Socrates en Plato tegenover zich, want zij geloofden wel in universele normen en waarden, en moesten niets hebben van het sofisme.
Zo ontwikkelde zich in de school van de sofisten de klassieke retorica, in het bijzonder de 'Nestoriaanse ordening' van een mondeling en schriftelijk pleidooi, afgeleid uit de Ilias, waarin generaal Nestor haast onoverwinnelijk was vanwege de opbouw van zijn leger: de zwakke soldaten/argumenten omringen met sterke soldaten/argumenten vóórop en àchteraan in het leger/pleidooi.
terug naar index/home
Deze diabolo-opbouw van het leger en het pleidooi doet sterk denken aan de klassieke opbouw van de fabel, als hiervoor vermeld. Dit is niet verwonderlijk, omdat Xanthus, waarschijnlijk een sofist, Aesopus, de vader van de Westerse fabel, als slaaf had gekocht vanwege zijn welsprekendheid, zodat Aesopus lessen in welsprekendheid kon geven aan de school van Xanthus op het eiland Samos. Xanthus en Aesopus zouden in de bloeitijd van het sofisme hebben geleefd. Aesopus was bekend om zijn welsprekendheid, waarin hij humor en de clou als het onverwachte element introduceerde via zijn fabels.
Doel van het argumenteren is, naar de naam van het essay van Schopenhauer, 'de kunst van het gelijk krijgen' door middel van overtuigen. Voorwaarde voor het bereiken van dat doel is het wegnemen van weerstand bij de toehoorder of lezer van het pleidooi. Het metaforische van de fabel - de fabel is in wezen één grote metaforische allegorie - schept de afstand die nodig is om de boodschap niet direct betrekking te laten hebben op de toehoorder of lezer. De humor, die eigen is aan de meeste fabels, neemt de laatste weerstand bij het publiek weg om hem over de streep van de overtuiging te trekken. De indirectheid van de fabel verzacht de boodschap en de milde humor verguldt de pil, zodat de moraal wordt geaccepteerd. Zou het toeval zijn, dat het Franse woord 'fable' taalkundig verwant is aan 'faible' (zachtaardig)? Volgens Horatius lag de kracht van de fabel in 'lachend de waarheid zeggen'.
Het is daarom niet verwonderlijk, dat juist fabelschrijvers - om er een aantal te noemen: Aesopus, Gellius, Vergilius, Cats, De Dene, La Fontaine, Bilderdijk, Nijhoff, Ovidius, Perrault, Quintilianus, Luther, Rabelais, Vollard, Scott, Staring, Porchat, Tahir, en Guido - advocaten/juristen zijn, opgeleid en geoefend in het opbouwen van een pleidooi, die, al dan niet bewust, veelal deze zelfde opbouw hanteerden voor de opbouw van hun fabels.
Het grote publiek, niet geschoold in de retorica, kon en kan het verschil tussen werkelijkheid en metafoor veelal niet altijd zuiver onderscheiden ('Word ik nou in de maling genomen of niet?'). Vandaar dat het begrip fabels naast de eigenlijke betekenis van het woord ook een pejoratieve betekenis heeft gekregen, net als de woorden sofisme en advocaat ('Never trust a lawyer'). Onder de uitdrukking 'Fabels en feiten over...' worden onjuiste fabels ook wel onderscheiden van vaststaande feiten.
terug naar index/home
7 Fictie of non-fictie
De vraag, of fabels fictie of non-fictie zijn, is men op het eerste gezicht geneigd met 'fictie' te beantwoorden. Toch verdient deze vraag een genuanceerder antwoord. Hier doet zich dezelfde situatie voor als ten aanzien van bijvoorbeeld een historische roman. De jaartallen, woonplaatsen en andere feiten, voor zover bekend, kunnen historisch vaststaan; de karakters, romances, intriges en dialogen zijn wellicht aan het brein van uitsluitend de auteur ontsproten, vaak eenvoudig omdat we het niet weten, dus er beredeneerd naar moeten gissen. Dan is er sprake van een mengvorm, die veelal tot de fictie kan worden gerekend, maar niettemin een mengvorm is, zich érgens bevindend op de geleidende schaal van fictie en non-fictie. Het zelfde geldt voor fabels. Een bewering, die op geen enkel feit berust en als 'fabeltje' naar 'het rijk der fabelen' kan worden verwezen of de absurdistische fabel, vinden hun plaats dan helemaal links op de balk van fictie en non-fictie, en de als fabel verpakte metafoor voor een werkelijke situatie helemaal rechts; de andere fabels graderen ergens op die balk daartussen.
De neiging tot het schrijven van fictie en fabels is tijdgebonden: het moet net in die periode passen. Zo was er bij de 'Tachtigers' (ca. 1880) geen plaats voor fabels; de surrealistische 'Vijftigers' (eind jaren 1940) schreven wel fabels.
terug naar index/home
8 Oude wijn in nieuwe zakken/materiële continuïteit
Het ligt zo makkelijk in de mond: 'De fabels van La Fontaine' of 'De sprookjes van Grimm'. Net alsof zíj al deze figuren hebben bedacht. De fabels van La Fontaine zijn een vertaling en interpretatie door La Fontaine van fabels van Aesopus, die deze op zijn beurt waarschijnlijk ook weer kende van de verhalen van vroeger, dus van de 'overlevering'. Het is Phaedrus, die deze heeft opgeschreven, en via een lange ketting van schrijvers zijn de fabels telkens opnieuw vertaald en geïnterpreteerd.
Zo is het ook met de sprookjes, die meestal al bekend waren bij de Egyptenaren, Aziaten en Grieken, en telkens opnieuw tot leven werden gewekt.
Iets mis mee? Nee, absoluut niet. Het is telkens 'oude wijn in nieuwe zakken', en we moeten alle interpreteurs dankbaar zijn voor hún bijdrage aan de materiële continuïteit, waardoor deze oerfabels en oersprookjes, die telkens voor goed leken te zijn verdwenen, toch weer in een eigentijds jasje als 'update' voor het nageslacht behouden bleven en blijven.
Zo lang we die lange historische keten van overlevering maar blijven her- en erkennen.
terug naar index/home
9 Literaire positie fabels en sprookjes
De fabels van Aesopus waren alle nogal ongepolijst en boertig van taal en werden uitsluitend mondeling overgeleverd, met name onder het gewone volk. Phaedrus zette de fabels op rijm en op papier, zodat het aanvaardbaar werd aan het keizerlijk hof. De papieren versies van Romulus en Avianus werden ingezet op scholen vanwege hun stichtelijke en paedagogische waarde. In Frankrijk maakte La Fontaine de fabels geaccepteerd in hogere kringen en Gellert en Goethe deden dat in Duitsland.
Basile introduceerde de sprookjes in Italië, Perrault in Frankrijk. Later emancipeerde Andersen sprookjes in Europa, pas in de laatste plaats in eigen land, terwijl de Gebr. Grimm de sprookjes in Duitsland in aanzien brachten.
In Nederland haalde Bilderdijk aanvankelijk zijn neus op voor het genre van de fabel. Op latere leeftijd ontdekte hij de literaire waarde ervan en ging hij zelf fabels schrijven. Hiermee veroorzaakte hij een omslag in de Nederlandse literaire geschiedenis.
In de tegenwoordige tijd is het genre van de fabels en sprookjes niet meer weg te denken uit de literatuur, film en TV.
terug naar index/home
10 Kerkelijk-maatschappelijke positie dieren en fabels
Gedurende de loop van de geschiedenis won de katholieke kerk aan maatschappelijke invloed. In Nederland bijvoorbeeld werd pas in 1795 door de Fransen formeel de scheiding tussen kerk en staat afgekondigd. Daarvóór was de invloed van de kerk op het maatschappelijk leven zeer groot, en daarmee tevens op de positie van dieren en fabels.
Vanaf het begin was de katholieke kerk altijd nogal afstandelijk geweest ten aanzien van (fabels over) dieren, die werden gezien als een afzonderlijk stuk van de schepping, los van de mens. Als de mens namelijk zou kunnen leren van een dier in een fabel, staat de suprematie van de mens ten opzichte van het dier op de tocht.
Zo dacht ook Augustinus er over, gezien zijn aforisme: 'We zien en horen aan hun geschreeuw dat dieren een pijnlijke dood sterven. Maar de mens gaat hieraan voorbij, omdat er tussen ons en de beesten, die een rationele ziel ontberen, geen rechtsgemeenschap is.' Hij erkende dus, dat dieren ook pijn hebben, maar stapte daar overheen, omdat dieren in zijn ogen inferieur waren aan de mens. Toch was Augustinus zelf pleitbezorger voor fabels en biologische en fysiologische studies, zoals die in het bestiarium van Physiologus. Augustinus zag de moraal van een fabel of parabel namelijk als belangrijke 'carrier' voor de Christelijke boodschap. Dus als een 'marketing-tool' in moderne termen.
terug naar index/home
In de middeleeuwen werden fabels op de merendeels katholieke scholen via Romulus en Avianus aan de leerlingen geleerd vanwege hun didactische leermogelijkheden.
Het duurde tot 1223 voor de grote omslag kwam. Toen introduceerde Franciscus van Assisi, die bekend stond om zijn liefde voor de natuur, zijn kerststal, waarvan hij de 'uitvinder' was. Over hem gaat zelfs het verhaal, dat hij zo goed met dieren kon omgaan dat hij met hen kon praten. Hierdoor haalde hij voor het eerst dieren de kerk in, hetgeen nadien wereldwijd navolging kreeg. Van het kerstverhaal maken sindsdien de os en de ezel, alsmede de herders met hun schapen, onlosmakelijk onderdeel uit. De dieren kregen daarmee een volwaardige plaats in de kerk naast de mens, waardoor zij werden geëmancipeerd. In 1228 werd Franciscus heilig verklaard. Sindsdien kennen wij hem als 'de heilige Franciscus'. Door zijn nevenschikking van mens en dier veroorzaakte hij een doorbraak in de eeuwenoude suprematieleer van de kerk ('de mens is superieur aan het dier'). Deze doorbraak is op één lijn te stellen met de doorbraken van Galilei ('de aarde is niet plat, maar rond') en van Darwin ('evolutieleer versus creationisme'). Inmiddels speelt het metaforische 'Lam Gods' een centrale rol in de katholieke kerk.
Luther, die zich had losgemaakt van de katholieke kerk, had het niet zo op de oorspronkelijke Aesopische fabels. Hij ontkende zelfs dat Aesopus als persoon had bestaan. Zijn fabels zouden door een aantal geleerde mensen zijn bedacht. Zoals hij de bijbel vertaalde vanuit het Latijn in de volkstaal, vertaalde en vertelde hij ook fabels in de volkstaal. Hij haalde de fabels in zijn preken aan als metaforen, waarbij hij de moraal kon aanpassen aan zijn specifieke visie.
Erasmus waardeerde fabels vooral om hun paedagogisch en didactisch nut: de moraal en taaloefening hadden hun waarde. Tot dan toe hadden fabels ook nog geen literair niveau bereikt. Wat fabels betreft legde hij de nadruk op het zoölogische en het ethologische: fabelschrijvers mochten wat hem betreft doen wat ze wilden, maar voor een goed fabelschrijver veronderstelde hij fantasie èn zoölogische natuurkennis. Zelf schreef hij geen fabels. Wel bediende hij zich van de metafoor: in plaats van dieren uitte hij zijn maatschappijkritiek via 'de zot', die hij in zijn 'Lof der zotheid' gebruikte als een soort buikspreker.
Paus Pius IV was overtuigd van de goede zedelijke invloed van de fabels van Aesopus op de jeugd en daarom vroeg hij aan de Latijnse dichter Gabriël Faërne om enkele van de beste van de Aesopische fabels te bewerken. Door het vroegtijdig overlijden van Faërne in 1561 werden deze bewerkte fabels pas in 1564 op last van de paus gepubliceerd. Ze werden in 1699 uit het Latijn in het Frans vertaald door Charles Perrault.
'Andere tijden, andere zeden': in latere tijden verloren fabels hun door Augustinus voorgestane door de kerk geïntroduceerde stichtelijke karakter en werden zij geprofaniseerd. Na de omslag van Franciscus van Assisi waren dieren en fabels geen punt meer van geschil. Dieren hadden hun plek in de kerk gevonden. In mediterrane landen worden de huisdieren zelfs tijdens een heilige mis in Augustus jaarlijks gezegend door de pastoor.
Sindsdien worden fabels beschouwd als een eigen onbetwist genre in de literatuur.
terug naar index/home
11 Antropomorf dierenverhaal
Inmiddels zijn er zo veel varianten op de markt van de fabelliteratuur gekomen, dat het onmogelijk is al deze varianten onder één noemer te brengen, anders dan als 'antropomorf dierenverhaal'.
In elk geval kun je stellen, dat de echte fabel op rijm een specifieke soort is van de genus 'dierenverhaal'. Met andere woorden: (vrijwel) elke fabel is een dierenverhaal, maar niet elk dierenverhaal is een fabel.
12 Historische grafiek aantal fabelaars
copyrights guido/niet vrij over te nemen
terug naar index/home
Copyrights Guido
Zie ook:
- Overeenkomsten en verschillen fabels en andere verhalen
- Oorsprong en verspreiding fabels
-.Latere ontwikkelingen fabels
- Fabels van 1930-heden
|