Natuur en cultuur > Natuur en taal > Bloemlezing
nachtegalen/copyrights zie bron
In deze rubriek bloemlezing, in het Latijn anthologie, een keuze uit werken van diverse schrijvers en dichters, in dit verband toegespitst op de natuur en het dierenverhaal in het algemeen en de fabel in het bijzonder.
Inhoudsopgave:
1. De nachtegaal en de koekoek van Willem Bilderdijk
2. Fabel van Napoleon Bonaparte
3. Juffrouw Gans op 't bal van Jacob Cats
4. Gierzwaluwen van Guido Gezelle
5. Het ruizen van het ranke riet van Guido Gezelle
6. Het schrijverke van Guido Gezelle
7. De krekel en de mier van Joost van den Vondel
8. De vos en de druiven van Joost van den Vondel
9. Chanson d'automne van Paul Verlaine
1. Bilderdijk, Willem
De nachtegaal en de koekoek
Nachtegaal en Koekoek streden
om de zangprijs van het dal.
Hoe gelukkig zal hij wezen,
die die zangprijs winnen zal!
Koekoek sprak: ik weet een rechter,
die ons vonnis wijzen kan.
Oren heeft hij om te horen
groter dan de grote Pan.
De Ezel kwam, men gaat aan ‘t zingen.
langoor bromt eens in de keel,
rekt zich uit, en geeuwt en luistert
naar het lied van Filomeel.
Wind en bos en stromen zwegen.
Eindlijk zegt hij : Gants niet kwaad;
Maar het is te wild gezongen,
En het blijft niet in de maat.”
Na een korte poos gegrinnik
Geeft hij d’ ander ook gehoor,
Koekoek fluks aan ‘t koekoekschreeuwen,
Koekoek, koekoek, na als voor.
Bravo ja, dat noem ik zingen,
(Zegt hij) dat ’s de rechte toon!
‘t Nachtegaaltjen piept wel aardig.
Maar de Koekoek spant de kroon.
Dat zijn klinkklaar zuivre jamben;
Dat ’s een maat naar MIJN verstand;
Daar is zoet bij in te slapen
‘k Hou niet van die Griekse trant.”
2. Bonaparte, Napoleon
César, chien d'arrêt renommé,
mais trop enflé de son mérite,
tenait arrêté dans son gîte
un malheureux lapin de peur inanimé.
Rends-toi, lui cria-t-il d'une voix de tonnerre,
qui fit au loin trembler les peuplades des bois.
Je suis César, connu par ses exploits,
et dont le nom remplit toute la terre.
A ce grand nom, Jeannot lapin
recommandant à Dieu son âme pénitente
demande d'une voix tremblante:
Très sérénissime mâtin,
si je me rends, quel sera mon destin?
Tu mourras. - Je mourrai ! dit la bête innocente,
Et si je fuis ? - Ton trépas est certain.
- Quoi! reprit ranimai qui se nourrit de thym,
des deux côtés je dois perdre la vie?
Que votre illustre seigneurie
veuille me pardonner, puisqu'il faut mourir,
Si j'ose tenter de m'enfuir.
— Il dit et fuit, en héros de garenne.
Caton l'aurait blâmé: Je dis qu'il n'eut pas tort,
car le chasseur le voit à peine
Qu'il l'ajuste, le tire,... et le chien tombe mort!
Que dirait de ceci notre bon La Fontaine?
Aide-toi, le ciel t'aidera.
J'approuve fort cette morale-là.
3. Cats, Jacob
Juffrouw Gans op 't bal
Heer Kwikstaart en zijn gemalin,
die waren eens heel blij van zin
en kregen trek tot dansen:
Zij tilden lustig pootje om poot
en trippelden - wel sapperloot!
Wat was 't een sierlijk dansen!
Mejuffrouw Gans stond juist daarbij
en riep: 'Dat kan ik net zo goed als jij',
en ging ook aan het dansen.
Och juffrouw Gans, bedenk eerst wel:
jij hebt zo'n waggelend onderstel,
jij deugt, heus, niet tot dansen.
En juffrouw Gans, daar kwam de nood:
ze strompelde en brak haar poot.
Dat hád ze van haar dansen.
Ja Gansje, ja, dat was je loon!
Niet ieder staat het dansen schoon.
Laat voortaan anderen dansen.
4. Gezelle, Guido
Gierzwaluwen
“Zie, zie, zie,
zie! zie! zie!
zie!! zie!! zie!!
zie!!!”
tieren de
zwaluwen,
twee-driemaal
drie,
zwierende en
gierende:
“Niemand, die...
die
bieden de
stiet ons zal!
Wie, wie? Wie??
Wie???”
Piepende en
kriepende
zwak en ge-
zwind;
haaiende en
draaiende,
rap als de
wind;
wiegende en
vliegende,
vlug op de
vlerk,
spoeien en
roeien ze
ringsom de
kerk.
Lege nu
zweven ze, en
geven ze
bucht;
hoge nu
hemelt hun'
vlerke, in de
lucht;
amper nog
hore ik... en,
die 'k niet en
zie,
lijvelijk
zingen ze:
“Wie??? Wie??? Wie?
wie... ”
5. Het ruizen van het ranke riet
o wist ik toch uw droevig lied!
wanneer de wind voorbij u voert
en buigend uwe halmen roert,
gij buigt, ootmoedig nijgend, neer,
staat op en buigt ootmoedig weer,
en zingt al buigen 't droevig lied,
dat ik beminne, o ranke riet!
O! 't ruisen van het ranke riet!
hoe dikwijls zat ik niet
nabij den stillen waterboord,
alleen en van geen mens gestoord,
en lonkte 't rimpelend water na,
en sloeg uw zwakke stafjes ga,
en luisterde op het lieve lied,
dat gij mij zongt, o ruisend riet!
O! 't ruisen van het ranke riet!
hoe menig mens aanschouwt u niet
en hoort uw' zingend' harmonij,
doch luistert niet en gaat voorbij!
voorbij alwaar hem 't herte jaagt,
voorbij waar klinkend goud hem plaagt;
maar uw geluid verstaat hij niet,
o mijn beminde ruisend riet!
Nochtans, o ruisend ranke riet,
uw stem is zo verachtelijk niet!
God schiep den stroom, God schiep uw stam,
God zeide: "Waait!..." en 't windtje kwam,
en 't windje woei, e, wabberde om
uw stam, die op en neder klom!
God luisterde... en uw droevig lied
behaagde God, o ruisend riet!
O neen toch, ranke ruisend riet,
mijn ziel misacht uw tale niet;
mijn ziel, die van den zelven God
't gevoel ontving, op zijn gebod,
't gevoel, dat uw geruis verstaat,
wanneer gij op en neder gaat:
o neen, o neen toch, ranke riet,
mijn ziel misacht uw tale niet!
O! 't ruisen van het ranke riet
weergalleme in mijn droevig lied,
en klagend kome 't voor uw voet,
Gij, die ons beiden leven doet!
o Gij, die zelf de kranke taal
bemint van enen rieten staal,
verwerp toch ook mijn klachte niet:
ik! arme, kranke, klagend riet!
6. Het schrijverke *
O krinklende winklende waterding
met ’t zwarte kabotseken aan,
wat zien ik toch geren uw kopke flink
al schrijven op ’t waterke gaan!
Gij leeft en gij roert en gij loopt zo snel,
al zie ’k u noch arrem noch been;
gij wendt en gij weet uwen weg zo wel,
al zie ’k u geen ooge, geen één.
Wat waart, of wat zijt, of wat zult gij zijn?
Verklaar het en zeg het mij, toe!
Wat zijt gij toch, blinkende knopke fijn,
dat nimmer van schrijven zijt moe?
Gij loopt over ’t spegelend water klaar,
en ’t water niet meer en verroert
dan of het een gladdige windtje waar,
dat stille over ’t waterke voert.
o Schrijverkes, schrijverkes, zegt mij dan, -
met twintigen zijt gij en meer,
en is er geen een die ’t mij zeggen kan: -
Wat schrijft en wat schrijft gij zo zeer?
Gij schrijft, en ’t en staat in het water niet,
gij schrijft, en ’t is uit en ’t is weg;
geen christen en weet er wat dat bediedt:
och, schrijverke, zeg het mij, zeg!
Zijn ’t visselkes daar ge van schrijven moet?
Zijn ’t kruidekes daar ge van schrijft?
Zijn ’t keikes of bladtjes of blomkes zoet,
of ’t water, waarop dat ge drijft?
Zijn ’t vogelkes, kwietlende klachtgepiep,
of is ’et het blauwe gewelf,
dat onder en boven u blinkt, zoo diep,
of is het u, schrijverken zelf?
En 't krinklende winklende waterding,
met ’t zwarte kapoteken aan,
het stelde en het rechtte zijne oorkes flink,
en ’t bleef daar een stondeke staan:
“Wij schrijven,” zoo sprak het, “al krinklen af
het gene onze Meester, weleer,
ons makend en leerend, te schrijven gaf,
één lesse, niet min nochte meer;
wij schrijven, en kunt gij die lesse toch
niet lezen, en zijt gij zo bot?
Wij schrijven, herschrijven en schrijven nog,
den heiligen Name van God!”
* klein zwart kevertje, dat over het water scheert als een pen over het papier
Joost van den Vondel
7. De Krekel en de mier
De magre krekel nu van s'winters kou bespronghen,
zocht aen't kloeck mierken heyl, tot bedelen gedrongen,
En met een heesche stem viel 't bezich dierken aen:
'Erbermt u Iuffrou Mier! en om een weynigh graen
my ongetroost niet laet, noch hongers nood bezuren,
mijn armoe wat vervult, en opent uwe schuren.'
Maer 't wacker beestien vry van kommer en ellend,
den Krekel heeft aldus zijn traegheyd voorgewend:
'Draeght nu verschulde straf, draeght nu 'tvermaledijden
die al den zomer sleet in wellust en verblijden,
die d'aengename tijd en zegen hebt veracht,
en slempende uwen oegst verquist en doorghebracht.'
Het kostelijcxste pand en kleynood uytgenomen
is d'altijd vliende tijd, die huyden omgekomen
niet morgen weder keert: wijs is hy van beraet
die s'tijds gelegentheyd beooght en gade slaet.
Die op geen weelde steunt, noch die, hoe hoogh gezeten,
d'aenstaende zwarigheyd lichtveerdigh gaet vergeten
Japanse illustratie/foto van guido/copyrights voorbehouden
8. De vos en de druiven
Oom Reintje werd verliefd een's wijngaards purpere druiven,
indien het gelukken wou, smaaklustig op te kluiven.
De trossen hingen te hoog verheven in de locht,
zodat hij na veel moeit die niet bereiken mocht.
Toornig, dat hij deze niet mocht krijgen,
mits dat hij onbekwaam was zo hoog te stijgen,
bestond den wijnstok met zijn vruchten te versmaden,
die, zuur en onrijp, smaak noch voedsel brachten.
Veel trachten na hetgeen zij met 't gemoed begeren:
Maar wanneer nu vergeefs 't gewenste zij ontberen,
Versmaden en lasteren zij het onverkrijgbaar goed,
en blussen zo de brand van de lust in haar gemoed.
(taalkundig enigszins aangepast door Guido)
Paul Verlaine
9. Chanson d'automne
Les sanglots longs
des violons
de l'automne
blessent mon coeur
d'une langueur
monotone.
Tout suffocant
et blême, quand
sonne l'heure,
je me souviens
des jours anciens
et je pleure;
Et je m'en vais
au vent mauvais
qui m'emporte.
Deçà, delà
pareil à la
feuille morte.
|